Oogbol

Hoornvlies
Het hoornvlies of de cornea is het doorzichtige deel van de buitenkant van het oog waar het licht door naar binnen valt. Het is opgebouwd uit stromacellen, aan de binnenkant bekleed met endotheelcellen en aan de buitenkant met plaveiselepitheelcellen. Deze drie basale lagen worden van elkaar gescheiden door twee hulplagen, het membraan van Bowman en het membraan van Descemet. Al deze structuren zijn doorzichtig. Het eptiheel bestaat uit slechts ongeveer vijf cellagen. De laag van Bowman is elastisch en bevat veel vezels. De collageenlaag is de dikste laag. Deze laag beschermt het oog tegen infecties. Ook het Descemetmembraam is zeer elastisch. Het endotheel tenslotte is slechts een cel dik. Het houdt het hoornvlies doorzichtig en zorgt voor het watertransport van het oog naar het hoornvlies. Deze laag is zeer kwetsbaar. Bij beschadiging van het endotheel kunnen cellen niet vervangen worden. Dat kan ernstige ziektes veroorzaken.
In het hoornvlies bevinden zich normaal gesproken geen bloedvaten. De zuurstofvoorziening van dit levende weefsel vindt plaats door gaswisseling met de atmosfeer. Het hoornvlies werkt dus zelf als long. Bij het dragen van verkeerde contactlenzen, of door het te lang dragen van goede contactlenzen kan de zuurstofvoorziening in gevaar komen.
Bij een onregelmatige vorm van de cornea ontstaat onscherp zien, wat soms door een sferische of cilindrische lens al dan niet gedeeltelijk op te heffen is.
Bij slijpen of bikken raakt de cornea gemakkelijk verwond door wegspringende deeltjes ijzer of steen, die zich soms vasthechten en door een arts moeten worden verwijderd. Om deze reden moet altijd een beschermbril worden gedragen bij dergelijk werk: het is niet alleen pijnlijk om zo’n stukje materiaal in het oog te krijgen, het resulteert zelfs bij een niet-penetrerende verwonding altijd in een waarneembaar littekentje in de cornea waardoor de gezichtsscherpte nadelig kan worden beïnvloed.
Oogwit
Het oogwit of sclera is de buitenste witte laag van het oog en bestaat uit stevig bindweefsel. De buitenste laag van het oog wordt ook wel de harde oogrok genoemd. Het vlies is op het voorste deel van het oog sterker gebogen. Dat gedeelte, ook het enige gedeelte waar de harde oogrok doorzichtig is, wordt ook wel hoornvlies of cornea genoemd. De term sclera is officieel gereserveerd voor de harde oogrok exclusief de cornea. De overgang tussen beide structuren wordt limbus (limbus corneae) genoemd.
Een ontsteking van de sclera wordt scleritis genoemd.
Bindvlies
Het bindvlies of de conjunctiva (Latijn: tunica conjunctiva) is een slijmvlies dat de sclera en de binnenste zijde van de oogleden bedekt. Het helpt bij de bevochtiging van het oog door de productie van mucus en traanvocht, alhoewel er veel meer traanvocht wordt geproduceerd door de traanklier.
Voorste oogkamer
De voorste oogkamer is de ruimte in het oog die zich bevindt tussen het hoornvlies (cornea) en het regenboogvlies (iris). Door de extra kromming van het hoornvlies en het grote verschil in brekingsindex van het vocht in de voorste oogkamer en de lucht, vormt de voorste oogkamer een sterke lens, met een sterkte van ca. 43 dioptrie. De eigenlijke ooglens, die zich achter de iris bevindt, met ongeaccommodeerd een sterkte van ca. 15 dioptrie, vult deze sterkte aan tot een totale sterkte van het oog van ca. 58 dioptrie.
Iris
De iris of regenboogvlies is het diafragma van het menselijk oog. Het is een ringvormig gepigmenteerd orgaan achter het hoornvlies dat de hoeveelheid doorgelaten licht naar het netvlies bepaalt door samentrekken (dit leidt tot verkleining van de doorlaat-opening dus minder licht) of ontspannen (vergroting van de doorlaat-opening dus meer licht) van de pupilspieren. Bij veel licht vernauwt de pupil, terwijl ze in het donker verwijdt: geneesmiddelen en verdovende middelen kunnen de pupilafmeting beïnvloeden. Bovendien veranderen de pupillen ook bij emoties (groter) of bij kijken op korte afstand (kleiner).
Uvea
De uvea (van het Latijnse woord voor druif, uva) of het druifvlies maakt deel uit van het oog. Zij wordt ook wel middelste ooghuid (tunica media bulbi) genoemd en is de pigmentdragende laag onder de ondoorzichtige sclera. De hoofdfuncties van de uvea zijn accommodatie, de productie van kamervocht en de voeding van de buitenste netvlieslaag. Tevens moet de uvea de hoeveelheid licht die het oog binnenvalt regelen.
Achterste oogkamer
De achterste oogkamer (Latijn: camera posterior bulbi) ligt tussen de iris en de ooglens. Deze kamer is gevuld met een hoeveelheid vloeistof, het kamerwater. Het oogkamervocht wordt geproduceerd door de lensbandjes (processus ciliares) van het straallichaam (corpus ciliare), dat zich in de achterste oogkamer bevindt en vastzit aan de rand van het vaatvlies. Vandaaruit gaat het vocht via de pupil, de voorste oogkamer naar de iridocorneale hoek, de hoek die het regenboogvlies maakt met het hoornvlies, en wordt het daar opgenomen in het kanaal van Schlemm.
Ooglens
De ooglens is een structuur in het oog, die zich tussen de cornea en het netvlies bevindt, meer specifiek achter de voorste oogkamer en voor het glasvocht. Hij bestaat uit een lenskapsel en een lenskern. De lens is (uiteraard) lensvormig en heeft bovendien de eigenschap dat hij van vorm kan veranderen: door het aanspannen van de accommodatie spieren in het oog wordt de lens minder opgespannen en daardoor boller, waardoor het oog dichterbij scherpstelt. Ontspannen de spieren dan herneemt de lens een plattere vorm. Hierdoor hebben de mens en veel andere diersoorten het vermogen om zowel dingen die ver weg liggen als dingen die zich dichtbij bevinden scherp te kunnen zien. Dit accommodatievermogen gaat echter bij de mens tussen het 40e en het 50e levensjaar sterk achteruit door minder elastisch worden van de lens - dan hebben veel mensen een leesbril nodig. Op hoge leeftijd treedt bij veel mensen vertroebeling van de lens op: grijze staar. Het grootste aandeel van het berekend vermogen van het oog wordt overigens niet door de lens maar door het oppervlak van de cornea geleverd.
Glasvocht / Glasachtig lichaam
Het glasachtig lichaam, glasvocht of corpus vitreum is een bindweefselachtige structuur in het oog van gewervelden. Het glasachtig lichaam ligt tussen de lens en het netvlies.
De substantie heeft de eigenschappen van een gel. Het volume van het glasachtig lichaam bedraagt ongeveer vier milliliter en neemt daardoor ongeveer de helft van het volume van de oogbol voor zijn rekening.
Het glasvocht bestaat voor ongeveer 99% uit water. De overige 1% is vaste stof, waarvan 0,1% zogenaamde macromoleculen zijn (eiwitten en hyaluronzuur) en 0,9% moleculen met een relatief lage moleculaire massa. Het corpus vitreum is opgebouwd uit een netwerk van fijne bindweefselfilamenten, waartussen zich de hyaluronzuurmoleculen bevinden, die in staat zijn grote hoeveelheden watermoleculen te binden. Het glasvocht is helder, zodat het licht dat door de lens het corpus vitreum binnenvalt ongestoord zijn weg kan vervolgen richting netvlies.
De eerste aanleg van het glasachtig lichaam, het primaire glasvocht, is de arteria hyaloidea. Deze structuur is in het volwassen oog terug te vinden als een lege ruimte, het kanaal van Cloquet. Het secundaire glasvocht wordt uiteindelijk het volwassen glasachtig lichaam. Het tertiaire glasvocht tenslotte vormt de zonulavezels waarmee de lens aan het straallichaam verbonden is.
Vaatvlies
Het vaatvlies (medische naam: choroidea, ook chorioidea wordt veel gebruikt) zorgt voor de voeding van de binnenste delen van het oog. Het ligt tussen de sclera (oogrok) en de retina (netvlies).
Aan de voorkant gaat het vaatvlies over in de iris (regenboogvlies).
Netvlies
Het netvlies of retina is het sterk doorbloed lichtgevoelige ’scherm’ achter in het oog.
Het netvlies ligt binnen en achter in het oog en bestaat uit ca. 126 miljoen zintuigcellen. Deze cellen vangen het licht dat in het oog binnenkomt op. Ze zijn onder te verdelen in kegeltjes en staafjes: de eerste zijn om kleurverschillen waar te nemen, de laatste om het verschil tussen licht en donker te kunnen maken. Overdag kijken we met het centrale punt op ons netvlies, de macula lutea of gele vlek, waar de meeste kegeltjes zitten. In het donker kijken we iets naast dit centrale punt, waar zich meer staafjes en minder kegeltjes bevinden.
Wanneer de vergelijking met fotografie getrokken wordt, is het netvlies het scherm waartegen de beelden worden geprojecteerd.
Gele vlek
De gele vlek (macula lutea) is een gebied aan de achterkant van het netvlies waar zich alleen kegeltjes in de lichtgevoelige laag bevinden. Kegeltjes zijn de zintuigcellen waarmee het mogelijk is kleuren waar te nemen (Er bestaan ook staafjes, maar die nemen geen kleuren waar).
Met de gele vlek neemt men het centrale gedeelte van het gezichtsveld waar, dat deel, waar men de blik op richt.
De gele vlek - als brandpunt van de ooglens - is het gebied waarmee men de kleinste details kan waarnemen. De gezichtsscherpte is het grootst in het midden hiervan - de fovea centralis: het punt bijna recht achter de ooglens - een gebied van slechts één vierkante millimeter in oppervlakte. De kegeltjes functioneren echter alleen als het niet te donker is.
Met name overdag, bij een voldoende grote lichtsterkte, is de gele vlek het gebied dat van het grootste belang voor het waarnemen van fijne details. ’s Nachts - bij een geringere lichtsterkte - zijn alleen de staafjes in staat om licht waar te nemen. Het is op dat moment dan ook onmogelijk om scherp te zien: als de blik precies op een voorwerp wordt gericht, komen de lichtstralen in de gele vlek van het netvlies terecht. Aangezien zich hierin geen staafjes bevinden, zal men slechts wazig zien. Als de blik enigszins naast het voorwerp wordt gericht, vallen de lichtstralen net naast de gele vlek. Hier bevinden zich wel staafjes, zodat het dan wel mogelijk is meer details te zien. Als men ’s nachts een zwakke ster optimaal wil waarnemen kan dat het best door er net naast te kijken.
Oogzenuw
De nervus opticus of oogzenuw is de tweede craniale- of hersenzenuw.
Ze vormt de verbinding tussen de hersenen en het oog. Het oog krijgt impulsen van het licht rondom ons, en deze worden door de nervus opticus naar de hersenen gezonden waar ze worden verwerkt, vergroot, omgedraaid, … tot een mooi beeld dat we normaal zien. Op de plek waar de nervus opticus het oog verlaat bevindt zich geen netvlies, dit wordt de blinde vlek (papilla nervi optici of papil) genoemd.
De nervus opticus is een zuiver sensorische zenuw.
Blinde vlek
De blinde vlek is een deel van het netvlies achterin het oog waar de oogzenuw samenkomt en het oog verlaat. Hier zitten geen lichtgevoelige zenuwcellen. Met andere woorden; op deze plaats is ieder mens virtueel blind. Dit verklaart de naam ook.
De blinde vlek wordt normaal niet waargenomen. De hersenen vullen het ontbrekende deel van het beeld aan met de kleuren van de omringende staafjes en kegeltjes zodat de structuren die een mens ziet niet onderbroken lijken.
Oogbol letsel
Bij letsel aan de oogbol - zoals een toename van bolling door vochtophoping of verkramping - kunnen verschillende vormen van effecten optreden, zoals bijvoorbeeld bijziendheid of verzienheid. Gelukkig is oogbol letsel te verhelpen door de juiste ooglaser methode toe te passen.